Het tijdsbeeld van de belle époque
Economische evolutie
Aan het einde van de 19de eeuw vindt de tweede industriële revolutie plaats. Het is een tijdperk van nieuwe energiebronnen (zoals elektriciteit en aardolie), van nieuwe machines als gevolg van nieuwe materialen (staal, legeringen, non-ferrometalen) en van nieuwe industrieën die op de natuurwetenschappen gebaseerd zijn (zoals de chemische nijverheid).

De tweede industriële revolutie is tevens het tijdperk van nieuwigheden. Rond 1900 worden luchtvaart, auto, radio en film uitgevonden. Het zijn de absolute toppers van de uitvindingen! Ze hebben immers één onmisbaar element gemeen: snelheid.
In 1870 bezit Groot-Brittannië nog de suprematie in de staalindustrie maar gaandeweg krijgen de West-Europese industriestaten steeds meer concurrentie. De VSA en Duitsland worden geduchte rivalen.
Door de toegenomen strijd om de markten richt de economie zich al vlug op de binnenlandse consumptiemarkt. Consumptiegoederen kenmerken echter de tweede industriële revolutie; de economie maakt een evolutie van kapitaal- naar consumptiegoederen.
De toename van de productie en de dalende prijzen zorgen immers voor een verhoogde levensstandaard voor het gros van de bevolking.
Door de technische vooruitgang hebben de bedrijven een grote behoefte aan kapitaal.
Zij richten naamloze vennootschappen (nv’s) op en doen een beroep op de massa spaarders.
Deze periode kent ook een ware stedenexplosie. De transport- en verkeersmogelijkheden en de industrialisatie zijn hiervoor verantwoordelijk. Mensen trekken weg van het platteland op zoek naar een beter leven in de stad. Voor de uitvoering van grote urbanisatieprojecten worden hele wijken gesloopt.
Steeds meer mensen vinden hun broodwinning in de tertiaire sector (dienstensector) waardoor ¾ van de bevolking van levenswijze verandert.
De revolutie in het verkeer bevordert de mobiliteit van de mensen. Miljoenen mensen migreren van kust naar binnenland, van het platteland naar de stad en van de dichte bevolkingskernen naar ‘nieuwe landen’.

Europa telt in 1800 zo’n 188 miljoen inwoners. In 1900 zijn het er 401 miljoen.
Top
Sociale evolutie
Zowel op professioneel als op politiek vlak worden de fabrieksarbeiders monddood gehouden; ze worden beschouwd als tweederangsburgers.
In 1864 wordt in Londen een internationale arbeidersvereniging opgericht. Deze Eerste Internationale, een socialistische organisatie, wordt in 1872 opgeheven. De Tweede Internationale komt er pas in 1889.
In 1893 wordt het cijnskiesrecht vervangen door het algemeen meervoudig stemrecht. Elke mannelijke burger krijgt één stem maar bepaalde kiezers mogen twee of drie stemmen uitbrengen.
In 1866 beslist de Belgische premier Frère-Orban het verenigingsverbod af te schaffen. Arbeiders kunnen zich legaal verenigen en hun rechten en belangen verdedigen.
Pas rond 1884 kent de arbeidersbeweging in België haar definitieve start. Voor de socialisten zijn de coöperatieven heel belangrijk. Hun bakermat is in Gent en daar wordt in 1880 de ‘Vooruit’ opgericht. Daar rond groeien geleidelijk ook andere consumptie- en productiecoöperatieven.
In 1885 wordt de Belgische Werkliedenpartij (BWP) opgericht. Ze geeft aan het socialisme een brede basis bij de bevolking.
Tussen 1886 en 1914 worden twee grote reeksen sociale wetten gestemd.
Een eerste pakket beteugelt de meest grove misbruiken: loon, vrouwen- en kinderarbeid (1889), zondagsrust (1905), arbeidsduur en werkplaatsreglement.
Een tweede pakket betreft de sociale verzekering: ouderdomspensioen (1900) en ziekteverzekering (1903).
Top
Internationale politiek
Tot 1870 steunt de internationale politiek in Europa op het machtsevenwicht tussen vijf grote mogendheden: Frankrijk, Engeland, Oostenrijk, Pruisen en Rusland.
Dat evenwicht wordt grondig verstoord door de Duitse eenmaking. Die eenmaking is te danken aan het Pruisisch militarisme en aan de persoonlijkheid van de Duitser Otto von Bismarck. Het jonge Duitse keizerrijk beheerst vanaf 1870 de internationale politiek.
Otto von Bismarch wil het eengemaakte Duitsland ongeschonden bewaren. Hij beschouwt Frankrijk hierbij als erfvijand. Door Frankrijk te isoleren en de positie zodanig te verzwakken, wil hij vermijden dat Frankrijk oorlog kan voeren.
Door het Verdrag van Frankfurt in 1871 wordt Frankrijk verplicht een oorlogsschatting van vijf miljard goudfrank te betalen. Bovendien moet Frankrijk het gebied Elzas-Lotharingen aan Duitsland afstaan. Onmiddellijk na 1870-1871 wil Frankrijk het Elzas-Lotharingen heroveren, indien nodig door een nieuwe oorlog.
Bismarck is erin geslaagd een aantal bondgenootschappen af te sluiten.
In een eerste alliantie betrekt hij Rusland en Oostenrijk-Hongarije (De Driekeizersbond, 1873). Rusland en Oostenrijk-Hongarije hebben echter tegengestelde belangen op de Balkan waardoor de alliantie wordt stopgezet.
Bismarck zet in 1879 een tweede alliantie op. Hij sluit een geheim defensieverdrag af met Oostenrijk-Hongarije (de Tweebond).
Italië zoekt omwille van zijn conflict met Frankrijk over Tunesië toenadering met de centrale mogendheden. Bismarck versterkt zijn positie door het afsluiten van de Driebond (Triple Alliantie, 1882).
In 1888 wordt de jonge Wilhelm II keizer van het Duitse rijk. Twee jaar later dwingt hij Bismarck tot ontslag. Wilhelm II breekt met het door Bismarck gevoerde beleid.
In 1890 weigert Wilhelm II het verdrag met Rusland te vernieuwen. De veronderstelling dat een samenwerking tussen het autocratische Rusland en de Franse republiek onmogelijk is, blijkt niet te kloppen. Reeds in 1892 sluiten beide staten een militaire conventie waardoor Frankrijk zijn isolement doorbreekt.
In 1904 sluit Engeland de Entente Cordiale met Frankrijk en in 1907 komt Engeland ook met Rusland tot een akkoord. Voortaan staan twee vijandige machtsblokken tegenover elkaar. Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië (Triple Alliantie) tegenover Engeland, Frankrijk en Rusland (Triple Entente). Ieder internationaal conflict kan een wereldoorlog ontketenen.
Het Ottomaanse of Turkse rijk (omvat de Balkan, Klein-Azië en een groot deel van Noord-Afrika) wordt ondermijnd door corruptie, nationalisme en separatisme.
De grote mogendheden kunnen niet ongevoelig blijven voor deze verzwakkingen. Binnen het Ottomaanse rijk liggen immers twee zeer strategische punten: de landengte van Suez en de zee-engtes Bosporus en Dardanellen.
De Balkanvolkeren trachten van het verval van het Ottomaanse rijk én van de machtshonger van de grootmachten gebruik te maken om hun onafhankelijkheid te verwerven.
Conferenties, oorlogen, conventies en verdragen volgen elkaar in sneltempo op. Het Congres van Berlijn (1878) wekt even de illusie dat de ‘Oosterse kwestie’ opgelost is. Een aantal netelige kwesties blijft echter bestaan. In de nieuw gevormde Balkanstaten (Montenegro, Servië, Roemenië) blijven nationale minderheden zich nog steeds gediscrimineerd voelen.
Twee Balkanoorlogen (1912-1913), respectievelijk tegen de sultan en tussen de Balkanvolkeren onderling, leiden tot de volgende situatie:
· De sultan verliest al zijn Europese bezittingen op een smalle strook rond Isanbul na.
· Albanië wordt in 1912 een onafhankelijk koninkrijk.
· Servië en Roemenië krijgen nieuwe gewesten.
· Bulgarije krijgt een uitweg naar de Egeïsche Zee.
De wrok bij de Bosniërs en de Herzegovijnen tegen Oostenrijk blijft echter bestaan en leidt tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
Tussen 1870 en 1914 bereikt de overheersing van Europa over de wereld haar hoogtepunt. Nieuw in het moderne imperialisme is dat de Europese mogendheden overzee tot echte annexaties overgaan en er een duur bestuurssysteem uitbouwen. Naast ideologische en politieke motieven zijn er vooral ook economische motieven. Tijdens het decennium 1870-1880 wordt het economisch evenwicht verbroken. De stijging van de productie van de moderne industrie is zo groot dat het aanbod van producten de groeiende vraag nog overtreft. Het economisch systeem van het Westen kan slechts aan hetzelfde ritme blijven werken indien het kan steunen op de export van afgewerkte producten. Het zoeken naar nieuwe afzetgebieden is een belangrijke drijfveer voor de verovering van nieuwe kolonies. Bovendien kunnen de kolonies het Europese bedrijfsleven voorzien van goedkope grondstoffen.
Op initiatief van koning Leopold II wordt de kolonisatie van Midden-Afrika door België een feit. Als Stanley het Kongobekken in opdracht van Leopold II in bezit neemt, roept Bismarck de conferentie van Berlijn bijeen (1884-1885). Ze erkent de onafhankelijke Kongo Vrijstaat onder de persoonlijke soevereiniteit van Leopold II.
In 1904 stelt een internationaal onderzoek een rapport op over talrijke wreedheden tegenover de inheemse bevolking. Het Belgische parlement tilt daar zwaar aan.
In 1908 werkt het parlement een koloniaal statuut uit: Kongo Vrijstaat wordt Belgisch Kongo (tot 1960).
Vooral de expansie van Frankrijk en Engeland in Afrika is indrukwekkend.
Groot-Brittannië verwerft in Oost-Afrika een aaneengesloten rijk van Caïro tot Kaapstad.
Frankrijk verovert Frans Equatoriaal Afrika, Tunesië en Marokko. Zo beheerst Frankrijk haast heel Noordwest-Afrika.
Ook in Azië komen Europese koloniale imperia tot stand.
Groot-Brittannië beheerst heel Zuid-Azië.
Rusland beheerst Noord-Azië en is een Aziatische mogendheid van eerste rang. Moskou hecht aan deze status groot belang. Dit blijkt met de aanleg van de Transsiberische spoorweg en de stichting van Vladivostok.
Door het imperialisme verspreidt de Europese economie zich razendsnel en komt er een massaal proces van verwestersing op wereldschaal op gang.
De traditionele sociale structuren van de stammensamenlevingen gaan teloor. In de opkomende steden leeft een klasse van fabrieksarbeiders, een massa ontwortelden. Er groeit een burgerij die opgenomen wordt in het economisch systeem van de blanken. Tenslotte vormt er zich aan de Westerse universiteiten een nieuwe elite.
Top
Culturele evolutie
De technische vooruitgang zorgt voor een mechanisering van de cultuur. Slechts het kwantitatieve maakt nog indruk; massaproductie en –consumptie doden de persoonlijke smaak. In de wetenschappen leidt de specialisatie tot een eindeloze fragmentering. De verwereldlijking van de cultuur is hier wezenlijk mee verbonden. De zekerheid van de kennis die de natuurwetenschappen opleveren, maakt geloof overbodig en achterhaald.
Tijdens het grootste deel van de 19de eeuw bestaat er al opiniepers. Kranten zijn er voor de bovenlaag van de bevolking. Naast deze opiniepers ontstaat er ook een populaire pers.
De invoering van de leerplicht in mei 1914 zorgt voor alfabetisering en voor een nieuw lezerspubliek van ‘half ontwikkelden’ die in een krant eenvoudige en korte artikelen willen vinden. Door het algemeen stemrecht wordt de massa politiek interessant. Volkskranten worden een ideaal instrument om een publieke opinie te kneden en zo een politiek beleid door te drukken. Deze kranten kunnen echter financieel maar rondkomen dankzij reusachtige inkomsten van advertenties (reclame).

Rond 1900 is de uniformiteit in volle opmars. De huizen, de kleding, de voeding beginnen steeds meer op elkaar te lijken. Ook de stad is in opmars: krioelende mensenmassa’s, fabrieken, warenhuizen en druk verkeer. Architecten bouwen stations, fabrieken, markthallen, huurkazernes en theaters.
Die heel nieuwe wereld is in 1900 in volle expansie. Een kettingreactie komt op gang waarbij machines weer andere machines genereren.
De volksmensen, die de sociale wantoestanden stilaan te boven komen, streven als vanzelfsprekend naar de welvaart en het comfort van de burgerij. Haar levensstijl is de norm.
Een elite van kunstenaars doorziet echter de bedrieglijkheid van de burgerlijke maatschappij en verzet zich tegen de euforie van het fin de siècle. In hun ogen is het een schijnwereld van machteloos materialisme. Zij voelen minachting voor de burgerlijke stijl. Sommige zoeken hun toevlucht in l’art pour l’art en andere kiezen voor sociaal engagement. Ze kiezen allemaal voor expressievormen die de burgerij provoceert.
Menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid, subjectiviteit en intuïtie, kwaliteit en samenhang zijn voor hen populair.
De schilders zoeken naar nieuwe vormen van expressie om de verschrikking, de chaos en de ontbinding te visualiseren. Stromingen als het expressionisme en surrealisme zijn hiervan het resultaat. Paul Gauguin, Vincent Van Gogh, Edvard Munch, James Ensor, Henri de Toulouse-Lautrec, Henri Matisse en de Vlaamse expressionisten als Valerius de Saedeleer, Albert Servaes, Gustave De Smet en Constant Permeke zorgen voor een vulkaan aan creativiteit.
Andere kunstenaars tonen in hun werk een drang naar ordening. Van Paul Cézanne wordt gezegd dat hij ‘de nagel is waaraan men de hele hedendaagse kunst kan vasthaken’. Deze stroming culmineert in het kubisme.
De art nouveau/jugendstil is de stijl ontstaan rond 1875. In deze stijl zijn twee richtingen (of scholen) te onderscheiden. Er is een florale organische stijl die de naam art nouveau meekrijgt en die vooral in de Romaanse landen voorkomt. En er is de jugendstil, een eenvoudige lineaire en geometrische stijl, die vooral in de Germaanse landen te vinden is. De overgang van de eerste naar de tweede stijl gebeurt in de jaren 1899-1900.
Victor Horta, geboren in Gent in 1861, getuigt in zijn architectuur van een merkwaardige creativiteit. Elke woning ontwerpt hij in functie van de opdrachtgever.
Ook voor de jugendstilkunstenaars zijn de menselijke activiteiten in de woning het uitgangspunt voor hun architectuur. De schilder Henry Van de Velde, geboren in Antwerpen in 1863, waagt zich met zijn woning ‘Bloemenwerf’ aan architectuur.
Top