Elisabethstraat 24 | BE-8370 Blankenberge | t +32 50 636 640 | belle.epoque@blankenberge.be

Wat is Belle Epoque?

De periode van ongeveer 1870 tot 1914 werd na W.O.I omschreven als de 'belle époque', Frans voor de 'mooie eeuw'. Bij ons sprak men van een 'gouden tijdperk'. 

De burgerij kende toen een redelijke welstand. Tengevolge van de industriële revolutie ontstond naast de oude adel een nieuwe industrie- en handelsburgerij. Deze elite wilde met volle teugen genieten. Ze ontvluchtte de ongezonde en deprimerende steden op zoek naar de natuur en alternatieven voor de verveling. 

Eind 18de eeuw ontdekte men de aantrekkingskracht van de zee en de badplaatsen maakten algauw furore. De aanleg van de spoorwegennetten was de aanzet voor echte volksverhuizingen tijdens het toeristisch seizoen. Deze rijke toeristen eisten een comfortabel verblijf, badinstellingen én voldoende ontspanningsmogelijkheden.
Badcultuur vroeg om badarchitectuur, en naast luxueuze hotels kwamen de kustvilla's in trek. Weldra boden de toeristische wijken een kleurig en verrassend schouwspel. De plaatselijke vissersbevolking, het dienstpersoneel en de arbeiders konden zich aan de rijkdom enkel vergapen.

We kunnen ons nog verder verdiepen in de Belle Epoque periode op verschillende vlakken:

 

Het tijdsbeeld van de belle époque

Economische evolutie

Aan het einde van de 19de eeuw vindt de tweede industriële revolutie plaats. Het is een tijdperk van nieuwe energiebronnen (zoals elektriciteit en aardolie), van nieuwe machines als gevolg van nieuwe materialen (staal, legeringen, non-ferrometalen) en van nieuwe industrieën die op de natuurwetenschappen gebaseerd zijn (zoals de chemische nijverheid).

tijdsbeeld_weeftouw_groot

De tweede industriële revolutie is tevens het tijdperk van nieuwigheden. Rond 1900 worden luchtvaart, auto, radio en film uitgevonden. Het zijn de absolute toppers van de uitvindingen! Ze hebben immers één onmisbaar element gemeen: snelheid.

In 1870 bezit Groot-Brittannië nog de suprematie in de staalindustrie maar gaandeweg krijgen de West-Europese industriestaten steeds meer concurrentie. De VSA en Duitsland worden geduchte rivalen.

Door de toegenomen strijd om de markten richt de economie zich al vlug op de binnenlandse consumptiemarkt. Consumptiegoederen kenmerken echter de tweede industriële revolutie; de economie maakt een evolutie van kapitaal- naar consumptiegoederen.

De toename van de productie en de dalende prijzen zorgen immers voor een verhoogde levensstandaard voor het gros van de bevolking.

Door de technische vooruitgang hebben de bedrijven een grote behoefte aan kapitaal.

Zij richten naamloze vennootschappen (nv’s) op en doen een beroep op de massa spaarders.

Deze periode kent ook een ware stedenexplosie. De transport- en verkeersmogelijkheden en de industrialisatie zijn hiervoor verantwoordelijk. Mensen trekken weg van het platteland op zoek naar een beter leven in de stad. Voor de uitvoering van grote urbanisatieprojecten worden hele wijken gesloopt.

Steeds meer mensen vinden hun broodwinning in de tertiaire sector (dienstensector) waardoor ¾ van de bevolking van levenswijze verandert.

De revolutie in het verkeer bevordert de mobiliteit van de mensen. Miljoenen mensen migreren van kust naar binnenland, van het platteland naar de stad en van de dichte bevolkingskernen naar ‘nieuwe landen’.

tijdsbeeld_treinbouw_groot

Europa telt in 1800 zo’n 188 miljoen inwoners. In 1900 zijn het er 401 miljoen.

 

Top

 

 

Sociale evolutie

Zowel op professioneel als op politiek vlak worden de fabrieksarbeiders monddood gehouden; ze worden beschouwd als tweederangsburgers.

In 1864 wordt in Londen een internationale arbeidersvereniging opgericht. Deze Eerste Internationale, een socialistische organisatie, wordt in 1872 opgeheven. De Tweede Internationale komt er pas in 1889.

In 1893 wordt het cijnskiesrecht vervangen door het algemeen meervoudig stemrecht. Elke mannelijke burger krijgt één stem maar bepaalde kiezers mogen twee of drie stemmen uitbrengen.

In 1866 beslist de Belgische premier Frère-Orban het verenigingsverbod af te schaffen. Arbeiders kunnen zich legaal verenigen en hun rechten en belangen verdedigen.

Pas rond 1884 kent de arbeidersbeweging in België haar definitieve start. Voor de socialisten zijn  de coöperatieven heel belangrijk. Hun bakermat is in Gent en daar wordt in 1880 de ‘Vooruit’ opgericht. Daar rond groeien geleidelijk ook andere consumptie- en productiecoöperatieven.

In 1885 wordt de Belgische Werkliedenpartij (BWP) opgericht. Ze geeft aan het socialisme een brede basis bij de bevolking.

Tussen 1886 en 1914 worden twee grote reeksen sociale wetten gestemd.

Een eerste pakket beteugelt de meest grove misbruiken: loon, vrouwen- en kinderarbeid (1889), zondagsrust (1905), arbeidsduur en werkplaatsreglement.

Een tweede pakket betreft de sociale verzekering: ouderdomspensioen (1900) en ziekteverzekering (1903).

 

Top

 

 

Internationale politiek

Tot 1870 steunt de internationale politiek in Europa op het machtsevenwicht tussen vijf grote mogendheden: Frankrijk, Engeland, Oostenrijk, Pruisen en Rusland.

Dat evenwicht wordt grondig verstoord door de Duitse eenmaking. Die eenmaking is te danken aan het Pruisisch militarisme en aan de persoonlijkheid van de Duitser Otto von Bismarck. Het jonge Duitse keizerrijk beheerst vanaf 1870 de internationale politiek.

Otto von Bismarck wil het eengemaakte Duitsland ongeschonden bewaren. Hij beschouwt Frankrijk hierbij als erfvijand. Door Frankrijk te isoleren en de positie zodanig te verzwakken, wil hij vermijden dat Frankrijk oorlog kan voeren.

Door het Verdrag van Frankfurt in 1871 wordt Frankrijk verplicht een oorlogsschatting van vijf miljard goudfrank te betalen. Bovendien moet Frankrijk het gebied Elzas-Lotharingen aan Duitsland afstaan. Onmiddellijk na 1870-1871 wil Frankrijk het Elzas-Lotharingen heroveren, indien nodig door een nieuwe oorlog.

Bismarck is erin geslaagd een aantal bondgenootschappen af te sluiten.

In een eerste alliantie betrekt hij Rusland en Oostenrijk-Hongarije (De Driekeizersbond, 1873). Rusland en Oostenrijk-Hongarije hebben echter tegengestelde belangen op de Balkan waardoor de alliantie wordt stopgezet.

Bismarck zet in 1879 een tweede alliantie op. Hij sluit een geheim defensieverdrag af met Oostenrijk-Hongarije (de Tweebond).

Italië zoekt omwille van zijn conflict met Frankrijk over Tunesië toenadering met de centrale mogendheden. Bismarck versterkt zijn positie door het afsluiten van de Driebond (Triple Alliantie, 1882).

In 1888 wordt de jonge Wilhelm II keizer van het Duitse rijk. Twee jaar later dwingt hij Bismarck tot ontslag. Wilhelm II breekt met het door Bismarck gevoerde beleid.

In 1890 weigert Wilhelm II het verdrag met Rusland te vernieuwen. De veronderstelling dat een samenwerking tussen het autocratische Rusland en de Franse republiek onmogelijk is, blijkt niet te kloppen. Reeds in 1892 sluiten beide staten een militaire conventie waardoor Frankrijk zijn isolement doorbreekt.

In 1904 sluit Engeland de Entente Cordiale met Frankrijk en in 1907 komt Engeland ook met Rusland tot een akkoord. Voortaan staan twee vijandige machtsblokken tegenover elkaar. Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië (Triple Alliantie) tegenover Engeland, Frankrijk en Rusland (Triple Entente). Ieder internationaal conflict kan een wereldoorlog ontketenen.

Het Ottomaanse of Turkse rijk (omvat de Balkan, Klein-Azië en een groot deel van Noord-Afrika) wordt ondermijnd door corruptie, nationalisme en separatisme.

De grote mogendheden kunnen niet ongevoelig blijven voor deze verzwakkingen. Binnen het Ottomaanse rijk liggen immers twee zeer strategische punten: de landengte van Suez en de zee-engtes Bosporus en Dardanellen.

De Balkanvolkeren trachten van het verval van het Ottomaanse rijk én van de machtshonger van de grootmachten gebruik te maken om hun onafhankelijkheid te verwerven.

Conferenties, oorlogen, conventies en verdragen volgen elkaar in sneltempo op. Het Congres van Berlijn (1878) wekt even de illusie dat de ‘Oosterse kwestie’ opgelost is. Een aantal netelige kwesties blijft echter bestaan. In de nieuw gevormde Balkanstaten (Montenegro, Servië, Roemenië) blijven nationale minderheden zich nog steeds gediscrimineerd voelen.

Twee Balkanoorlogen (1912-1913), respectievelijk tegen de sultan en tussen de Balkanvolkeren onderling, leiden tot de volgende situatie:

·                       De sultan verliest al zijn Europese bezittingen op een smalle strook rond Isanbul na.

·                       Albanië wordt in 1912 een onafhankelijk koninkrijk.

·                       Servië en Roemenië krijgen nieuwe gewesten.

·                       Bulgarije krijgt een uitweg naar de Egeïsche Zee.

De wrok bij de Bosniërs en de Herzegovijnen tegen Oostenrijk blijft echter bestaan en leidt tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Tussen 1870 en 1914 bereikt de overheersing van Europa over de wereld haar hoogtepunt. Nieuw in het moderne imperialisme is dat de Europese mogendheden overzee tot echte annexaties overgaan en er een duur bestuurssysteem uitbouwen. Naast ideologische en politieke motieven zijn er vooral ook economische motieven. Tijdens het decennium 1870-1880 wordt het economisch evenwicht verbroken. De stijging van de productie van de moderne industrie is zo groot dat het aanbod van producten de groeiende vraag nog overtreft. Het economisch systeem van het Westen kan slechts aan hetzelfde ritme blijven werken indien het kan steunen op de export van afgewerkte producten. Het zoeken naar nieuwe afzetgebieden is een belangrijke drijfveer voor de verovering van nieuwe kolonies. Bovendien kunnen de kolonies het Europese bedrijfsleven voorzien van goedkope grondstoffen.

Op initiatief van koning Leopold II wordt de kolonisatie van Midden-Afrika door België een feit. Als Stanley het Kongobekken in opdracht van Leopold II in bezit neemt, roept Bismarck de conferentie van Berlijn bijeen (1884-1885). Ze erkent de onafhankelijke Kongo Vrijstaat onder de persoonlijke soevereiniteit van Leopold II.

In 1904 stelt een internationaal onderzoek een rapport op over talrijke wreedheden tegenover de inheemse bevolking. Het Belgische parlement tilt daar zwaar aan.

In 1908 werkt het parlement een koloniaal statuut uit: Kongo Vrijstaat wordt Belgisch Kongo (tot 1960).

Vooral de expansie van Frankrijk en Engeland in Afrika is indrukwekkend.

Groot-Brittannië verwerft in Oost-Afrika een aaneengesloten rijk van Caïro tot Kaapstad.

Frankrijk verovert Frans Equatoriaal Afrika, Tunesië en Marokko. Zo beheerst Frankrijk haast heel Noordwest-Afrika.

Ook in Azië komen Europese koloniale imperia tot stand.

Groot-Brittannië beheerst heel Zuid-Azië.

Rusland beheerst Noord-Azië en is een Aziatische mogendheid van eerste rang. Moskou hecht aan deze status groot belang. Dit blijkt met de aanleg van de Transsiberische spoorweg en de stichting van Vladivostok.

Door het imperialisme verspreidt de Europese economie zich razendsnel en komt er een massaal proces van verwestersing op wereldschaal op gang.

De traditionele sociale structuren van de stammensamenlevingen gaan teloor. In de opkomende steden leeft een klasse van fabrieksarbeiders, een massa ontwortelden. Er groeit een burgerij die opgenomen wordt in het economisch systeem van de blanken. Tenslotte vormt er zich aan de Westerse universiteiten een nieuwe elite.

 

Top

 

 

Culturele evolutie

De technische vooruitgang zorgt voor een mechanisering van de cultuur. Slechts het kwantitatieve maakt nog indruk; massaproductie en –consumptie doden de persoonlijke smaak. In de wetenschappen leidt de specialisatie tot een eindeloze fragmentering. De verwereldlijking van de cultuur is hier wezenlijk mee verbonden. De zekerheid van de kennis die de natuurwetenschappen opleveren, maakt geloof overbodig en achterhaald.

Tijdens het grootste deel van de 19de eeuw bestaat er al opiniepers. Kranten zijn er voor de bovenlaag van de bevolking. Naast deze opiniepers ontstaat er ook een populaire pers.

De invoering van de leerplicht in mei 1914 zorgt voor alfabetisering en voor een nieuw lezerspubliek van ‘half ontwikkelden’ die in een krant eenvoudige en korte artikelen willen vinden. Door het algemeen stemrecht wordt de massa politiek interessant. Volkskranten worden een ideaal instrument om een publieke opinie te kneden en zo een politiek beleid door te drukken. Deze kranten kunnen echter financieel maar rondkomen dankzij reusachtige inkomsten van advertenties (reclame).

tijdsbeeld_krantbezorgers_groot

Rond 1900 is de uniformiteit in volle opmars. De huizen, kledij en voeding beginnen steeds meer op elkaar te lijken. Ook de stad is in opmars: krioelende mensenmassa’s, fabrieken, warenhuizen en druk verkeer. Architecten bouwen stations, fabrieken, markthallen, huurkazernes en theaters.

Die heel nieuwe wereld is in 1900 in volle expansie. Een kettingreactie komt op gang waarbij machines weer andere machines genereren.

De volksmensen, die de sociale wantoestanden stilaan te boven komen, streven als vanzelfsprekend naar de welvaart en het comfort van de burgerij. Haar levensstijl is de norm.

Een elite van kunstenaars doorziet echter de bedrieglijkheid van de burgerlijke maatschappij en verzet zich tegen de euforie van het fin de siècle. In hun ogen is het een schijnwereld van machteloos materialisme. Zij voelen minachting voor de burgerlijke stijl. Sommige zoeken hun toevlucht in l’art pour l’art en andere kiezen voor sociaal engagement. Ze kiezen allemaal voor expressievormen die de burgerij provoceert.

Menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid, subjectiviteit en intuïtie, kwaliteit en samenhang zijn voor hen populair.

De schilders zoeken naar nieuwe vormen van expressie om de verschrikking, de chaos en de ontbinding te visualiseren. Stromingen als het expressionisme en surrealisme zijn hiervan het resultaat. Paul Gauguin, Vincent Van Gogh, Edvard Munch, James Ensor, Henri de Toulouse-Lautrec, Henri Matisse en de Vlaamse expressionisten als Valerius de Saedeleer, Albert Servaes, Gustave De Smet en Constant Permeke zorgen voor een vulkaan aan creativiteit.tijdsbeeld_affiche_klein

Andere kunstenaars tonen in hun werk een drang naar ordening. Van Paul Cézanne wordt gezegd dat hij ‘de nagel is waaraan men de hele hedendaagse kunst kan vasthaken’. Deze stroming culmineert in het kubisme.

De art nouveau/jugendstil is de stijl ontstaan rond 1875. In deze stijl zijn twee richtingen (of scholen) te onderscheiden. Er is een florale organische stijl die de naam art nouveau meekrijgt en die vooral in de Romaanse landen voorkomt. En er is de jugendstil, een eenvoudige lineaire en geometrische stijl, die vooral in de Germaanse landen te vinden is. De overgang van de eerste naar de tweede stijl gebeurt in de jaren 1899-1900.

Victor Horta, geboren in Gent in 1861, getuigt in zijn architectuur van een merkwaardige creativiteit. Elke woning ontwerpt hij in functie van de opdrachtgever.

Ook voor de jugendstilkunstenaars zijn de menselijke activiteiten in de woning het uitgangspunt voor hun architectuur. De schilder Henry Van de Velde, geboren in Antwerpen in 1863, waagt zich met zijn woning ‘Bloemenwerf’ aan architectuur.

 

 

Top

 

Het ontstaan van Blankenberge en de ontwikkeling ervan

De legende

Het ontstaan van Blankenberge is niet met preciesheid te achterhalen. Men mag aannemen dat zeevaarders, vermoedelijk uit Holland, zich vestigen op een strook zand gelegen tussen duin en zee. Ze voorzien hun vestingen van scherpe, houten palen met de punt in de hoogte om zich te beschermen tegen invallen.

Die zandstrook krijgt de naam Scarphout (scherphout) maar is niet bewoond. De vissers bouwen hun hutten achter de duinen om beter beschermd te zijn tegen noorderwinden en stormen.

De historicus Gramaye beschrijft dat de eerste bewoners een kapel bouwen in de duinen. Dat gebouwtje wordt opgedragen aan Onze-Lieve-Vrouw van Scarphout.

Langzamerhand komen meer vissershuisjes rond de kapel en wordt het dorp Blankenberge genoemd.

Begin 14de eeuw wordt Blankenberge geteisterd door een geweldige storm. De golven slaan bressen in de duinen en het water stroomt ver in het binnenland. De kustafslag is zo groot dat een groot gedeelte van de duinen door de golven verzwolgen wordt. Vandaar het feit dat de duinen van Blankenberge zo smal zijn.

Niettemin kan men stellen dat de waterlijn sinds de 19de eeuw dezelfde is gebleven.

De geschiedenis

De verwarring tussen de namen Blankenberge en Scarphout en de daaruit voortvloeiende legende zijn te verklaren door de oorspronkelijke aanwezigheid van de parochiekerk op de grond Scarphout.

Deze verwarring heerst echter niet bij de wereldlijke instanties zoals de graven en de schepenen. Zij gebruiken de naam Scarphout slechts om de kerk en de aanhorigheden aan te duiden en niet de stad zelf.

De naamgeving Blankenberge kan in verband gebracht worden met de oorspronkelijke betekenis van blank: in de streektaal is blank nooit ‘wit’ maar wel ‘effen’.

Een blankaard is geenszins een wit duin maar wel een bloot, onbegroeid duin.

Zo betekent Blankenberge ‘in de onbegroeide blote duinen’.

De eerste bevolkingskern dateert uit de tweede helft van de 11de eeuw.

In 1270 wordt ‘la ville de Blanckenberghe’ vermeld in de bronnen. Dit is de oudste vermelding en Blankenberge wordt reeds als stad aangeduid.

Zeer waarschijnlijk begunstigt gravin Margaretha van Constantinopel tussen de jaren 1265 en 1270 Blankenberge met stedelijke voorrechten.

Vooreerst haalt gravin Margaretha haar inkomsten uit de uitbating van het grafelijk tolrecht en uit de jaarmarkten. Daarnaast werkt ze ook de ontwikkeling van de opkomende bevolkingscentra in de hand met de bedoeling uit de plaatselijke handel hogere inkomsten te halen. Zo krijgt Oostende in 1267 stadsrechten en staat zij gronden af om er hallen en een plaatselijke markt te laten oprichten. Wellicht heeft ze met Blankenberge dezelfde bedoelingen.

In een oorkonde van 1270 wordt een regeling getroffen betreffende de rechten van Jan van Uytkerke binnen het grondgebied Blankenberge. Vermoedelijk heeft ze het Blankenbergs grondgebied uit de heerlijkheid Uytkerke afgescheiden en er stedelijke voorrechten aan gegeven.

Top

 

 

De visserij in Blankenberge

Op het einde van de 13de eeuw telt de Blankenbergse vissersvloot meer dan 60 vaartuigen. In de 14de eeuw krijgt de Blankenbergse visserij harde klappen ten gevolge van de vele oorlogen. Ondanks het statuut van ‘stede ende port’ blijft Blankenberge een klein centrum dat van de visserij leeft.

In de 18de eeuw leeft de vissersbevolking samengehokt in kleine lage huisjes.

Ondanks het feit dat de Blankenbergse vis, die omwille van zijn uitzonderlijke kwaliteit, tot ver in het binnenland en zelfs tot in Versailles verkocht wordt, leeft de vissersbevolking in uiterst ellendige omstandigheden.

visverkoop_groot

 De vissers verdienen hun brood op schuiten (boten met een platte bodem) die ze huren waardoor het grootste deel van de opbrengst onmiddellijk de reders toekomt. Bovendien zijn de vissers verplicht al het nodige materiaal (touwen, garen, zeilen, teer, enz.) bij de reders aan te kopen.

Tijdens de middeleeuwen en de moderne tijden hebben sommige vissers een bijverdienste op zee. Zij werken als loods voor de stad Brugge en loodsen vreemde koopvaardijschepen doorheen de Vlaamse banken en het Zwin naar Sluis.

Ondanks het harde vissersleven blijft de visserij een familietraditie. De kinderen stappen in de voetsporen van hun vader. Het aantal schuiten neemt voortdurend toe.

Als gevolg daarvan gaan in de Blankenbergse visserijkringen stemmen op om een schuilhaven te bekomen. Ze dringen aan op de aanleg van een haven omdat ze de noodzaak aanvoelen om grotere vaartuigen te bouwen.

In 1861 wordt de aanleg van de Blankenbergse schuilhaven goedgekeurd. De werken starten in 1863 en zijn pas in 1871 klaar.

De haven is slecht georiënteerd. Met de overheersende westenwinden is het gemakkelijk om binnen te varen maar zeer moeilijk om buiten te varen. De schuiten meren bij voorkeur langs het westerstaketsel aan.

vissersboot_groot

 

Top

 

Het toerisme

De cultuur van het baden kent een lange geschiedenis.

In de oudheid zijn badinstellingen grote culturele ontmoetingscentra waar niet zozeer de reiniging centraal staat maar wel de ‘hernieuwing’ m.a.w. het fysisch en psychisch herstel.

Tijdens de middeleeuwen baadt men voornamelijk om hygiënische redenen.

De renaissance kenmerkt zich dan weer door een grote aandacht voor de antieke oudheid en geneesheren, architecten en humanisten. Er worden geschriften over de kracht en de deugddoende werking van minerale bronnen gepubliceerd.

Tijdens de 18de eeuw is het kuuroord een plezier- en ontmoetingsoord.

In navolging van het vasteland ontwikkelen zich in Engeland in de tweede helft van de 17de eeuw kuuroorden en ontstaat er een ware kuuroordmanie. Elke streek wil haar eigen kuuroord wat aanleiding geeft tot wetenschappelijke geschriften over de kwaliteit van het water en over de toepassingen van baden.

Er onderscheidt zich een belangrijke beweging van artsen die koude baden propageren wat de weg effent naar (koude) zeebaden. De zee wordt als groot mineraal bad gepropageerd waardoor diverse badplaatsen aan de Engelse kust ontstaan (Scarborough, Bath, Brighton). De therapie bestaat uit 3 elementen: zeebaden, drinken van zeewater en luchtkuur.

toerisme_familieinzee_groot

Er ontstond een eigen infrastructuur in de kuuroorden. Naast de badhuizen verrijzen allerlei ontspanningsgelegenheden. Het zijn de Engelsen die nu deze nieuwe mode (zeebaden) naar het vasteland exporteren.

Oostende is één van de eerste continentale badplaatsen. Er reizen immers jaarlijks tienduizenden Engelsen via Oostende naar de grote Europese kuuroorden.

Bovendien zijn Oostende en Nieuwpoort tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd de enige vrijhandelshavens van het vasteland waar Engelse handelaars zich komen vestigen en hun gewoonten introduceren.

Het eigenlijke badtoerisme breekt in Oostende pas door na de Belgische onafhankelijkheid (1830) waarbij 2 factoren belangrijk zijn:

·                       Het jaarlijks verblijf vanaf 1834 van de Koninklijke familie in Oostende

·                       De aanleg in 1838 van de spoorwegverbinding Brussel-Oostende.

Ondertussen wordt Blankenberge reeds in de 17de eeuw door badgasten bezocht omwille van ontspanning. Omstreeks 1720 plant men om de verbinding Blankenberge-Brugge te verbeteren. Als argument voorziet men toenemende inkomsten uit het groeiend vistransport en een toename van het aantal personen die te paard of met koetsen naar zee trekt.

toerisme_paardenkoets_groot

In 1835 houdt het Blankenbergse gemeentebestuur een zone vrij bestemd voor ‘zeebaden’. Tijdens de zomer ontvangt Blankenberge een internationaal publiek dat van een gezonde zeekuur komt genieten. Dit betekent voor de oude vissersstad een totaal nieuwe industrie met ongekende mogelijkheden en onverhoopte inkomsten.

In 1838 verschijnen voor de badgasten de eerste vier badwagens op het strand, ‘cabines mobiles’ genoemd. In 1840 wordt er een politiereglement opgesteld waarmee men de vissers verplicht om tijdens het zomerseizoen hun schuiten (boten) te verleggen om zo het strand voor de baders vrij te houden.

Op dat ogenblik is het zeefront van Blankenberge nog een stuk ongerept duingebied. Oostende daarentegen beschikt reeds sinds 1820 over een wandelpromenade waar de badgasten kunnen genieten van een grandioos uitzicht op de zee en op elkaar. Blankenberge kan zoiets niet aanbieden en volgens de burgemeester beklagen de badgasten zich hierover en kan dit leiden tot de ondergang van het Blankenbergse badtoerisme. Hij bepleit de aanleg van een ‘planken vloer’ op het duin en de raad keurt dat goed. De aanleg gebeurt tijdens het zomerseizoen van 1840.

Openbare werken laat in 1843 het duin rechtover de gemeente effenen en met steen bekleden. Die stenen dijk wordt in de daaropvolgende jaren zowel in westelijke als in oostelijke richting uitgebouwd en met trappen toegankelijk gemaakt.

De definitieve doorbraak van Blankenberge als toeristisch oord komt er dankzij de aanleg van de spoorlijn Brugge-Blankenberge in 1863. Op zon- en feestdagen worden extra treinen ingelegd waardoor de dagtoeristen spectaculair toenemen.

toerisme_station_groot

Door de groei van het aantal badgasten ontstaat de nood aan betere logies.

In het begin van de jaren veertig bestaan volgende hotels: Hôtel de Belle Vue (Kerkstraat), Hôtel de Bruges (Vissersstraat) en Hôtel des Bains (tegenover het stadhuis aan de markt). Verder heeft men nog de keuze tussen herbergen en kamers bij burgers.

Het elitair zomerpubliek wil meer dan een therapeutisch bad in zee en een gezonde wandeling. Ontspanning en vermaak zijn even belangrijke ingrediënten van hun verblijf.

toerisme_strand_groot

toerisme_tennisopstrand_groot

In 1844 krijgt de Blankenbergenaar De Rycker een vergunning om aan het zeefront een paviljoen te bouwen. Ondanks de vergunning stelt hij de bouw van het paviljoen uit.

In het begin van 1850 doet de Oostendenaar Fontaine op zijn beurt een aanvraag voor het bouwen van een paviljoen op de duin. Het Blankenbergse gemeentebestuur geeft hiervoor een positief advies aan Bruggen en Wegen. De Rycker en Fontaine worden onder druk gezet om hun paviljoen tegen de zomer te bouwen.

Door het ultimatum haast De Rycker zich om tegen het badseizoen van 1850 zijn paviljoen op te trekken. Het Pavillon De Rycker wordt het centrale trefpunt met zicht op zee voor de Blankenbergse badgasten.

De Waalse ingenieur Léon Malécot probeert het toerisme te commercialiseren.

Onder zijn impuls en leiding wordt het kursaal gebouwd en op 21 augustus 1859 opengesteld.
Een kursaal is in oorsprong een gemeenschapsgebouw voor badgasten maar ontwikkelt zich langs de Belgische kust tot een typisch vermaaksgebouw.

Kursaal 1859

Het Blankenbergs kursaal verwerft een sleutelpositie als ontmoetingsplaats en trefpunt van de ‘bonne société’. Ze beschikken er over een grote feestzaal, restaurant, leeszaal, muziekzaal, biljartzaal en ‘salon de conversation’. Het accent ligt duidelijk op de vermaaksfunctie gecombineerd met een logeeraccommodatie van 120 kamers.

Het gebouw bestaat uit twee bouwlagen en heeft een voorgevel in Moorse stijl.

In het laatste kwart van de 19de eeuw worden nog belangrijke werken uitgevoerd in functie van het toerisme waaronder in 1886 de aanleg van de tramlijn Oostende-Blankenberge en in 1894 de bouw van de gietijzeren pier.

architectuur_dijk_groot

Tot aan WO I blijft Blankenberge een trekpleister voor de Europese elite.

Na WO I zijn eigen landgenoten, Britten en Duitsers (vanaf 1924) de badgasten.

Na WO II maakt men kennis met het massatoerisme.

 

Top

De kunstenaarskolonie te Blankenberge alsook de eigen Blankenbergse kunstenaars en letterkundigen

Vanaf 1870 is Blankenberge tijdens de zomermaanden de uitverkoren pleisterplaats voor veel kunstenaars. Zij volgen de rijke burgerij die vaak ook kunstliefhebbers zijn.

Blankenberge heeft eigen kunstschilders zoals Alexander Verhaeghe, Frans Masereel,... en wordt bezocht door schilders zoals Félicien Rops, Henry Van de Velde, Louis Artan, Edmond Vander Haeghen,...

In Blankenberge zijn werken terug te vinden van de beeldhouwers Guillaume Charlier en Henri Pickery. Ook zij verbleven regelmatig in Blankenberge.

Ook letterkundigen zoals Emile Verhaeren, Jan van Beers,… zijn er vaak te gast.

Top

 

 

De burgerlijke architectuur

Het oud stadhuisarchitectuur_kerk_klein

Het oud stadhuis in de Kerkstraat dateert van 1679. Voor het bouwen van het stadhuis werden de stenen van het Spaanse fort gebruikt. Midden van de vorige eeuw groeit Blankenberge uit tot een mondain centrum. Het gemeentebestuur denkt eraan om een nieuw stadhuis te laten bouwen. Bijgevolg wordt het oud stadhuis verwaarloosd.

De Bestendige Deputatie weigert in 1894 het stadhuis af te breken op advies van de Koninklijke Kommissie voor Monumenten die op de historische en architectonische waarde van het gebouw wijst.

In 1908 is men zich bewust van de kunstwaarde van het gebouw en worden er stappen gezet tot restauratie. Uiteindelijk vinden er herstellingswerken plaats in 1930 en in 1982-1984.

Vandaag wordt het stadhuis gebruikt als tentoonstellingsruimte.

Het huidige stadhuis wordt in 1950 gebouwd op de gronden van het voormalige slachthuis.

De middelbare school

Het gebouw wordt in 1882-1883 volgens de plannen van Joseph Hoste opgetrokken en geldt als voorbeeld van neobarokarchitectuur. Het beschermd gebouw doet nu dienst als moderne bibliotheek.

Het windschermarchitectuur_haven_klein

Wandelen en rustig genieten in openlucht is voor de badgasten in de vorige eeuw één van de geliefkoosde vormen van ontspanning. Deze recreatie in functie van de gezondheid ligt aan de basis van enkele publieke constructies zoals het windscherm.

Het windscherm of de 'paravang' is een bouwwerk uit 1908. Het is een mooi voorbeeld van de eclectische bouwtrant zoals die in het begin van de 20ste eeuw werd toegepast in de kustarchitectuur.

De pier

Zeepierconstructies zijn een Brits fenomeen. Ze dateren uit het begin van de 19de eeuw en worden oorspronkelijk gebruikt als aanlegsteiger. De functie en de rol van de pierconstructies wijzigen omstreeks het midden van de eeuw. In eerste instantie worden ze gebruikt om een wandeling 'in zee' te maken en te genieten van de gezonde lucht en het architectuur_dijk_kleinuitzicht. In tweede instantie bouwt men op de pieren lokalen voor allerlei amusement.

De gietijzeren pier in Blankenberge wordt in 1894 gemonteerd en opengesteld voor het publiek. Het achthoekig platform is bekroond met een sierlijk paviljoen in art-nouveaustijl waarbij gietijzer en glas domineren.

In 1914 steken de Duitsers de pier in brand. Er blijft enkel een verwrongen skelet over.

In 1931-1933 bouwt het stadsbestuur op eigen kosten een nieuwe betonnen pier bestaande uit een wandelbrug met feestpaviljoen.

Het monument Lippens – De Bruyne

Lippens en De Bruyne zijn 2 militairen die in het voormalig Kongo de heldendood sterven tijdens de bestrijding van de slavenhandel. De Blankenbergse sergeant Hendrik De Bruyne verzaakt aan de mogelijkheid de vrijheid te kiezen omdat hij aan luitenant Lippens zijn woord heeft gegeven om bij hem te blijven. Het initiatief voor het monument wordt genomen door een comité van oud-kolonialen. Een jury bekroont uit 23 projecten het ontwerp van de Brusselse beeldhouwer Guillaume Charlier. Het monument wordt in 1900 ingehuldigd.

Het casino

 

Reeds in 1865 denkt het stadsbestuur eraan om zelf een casino te bouwen.toerisme_casino_groot

Ze wil hiermee tegemoetkomen aan de vraag van de badgasten naar een 'vergaderplaats'. Het casino komt op het stuk duin waar voordien het fort Napoleon stond. Het stadsbestuur verwerft  de duin in 1873. De realisatie loopt niet echt vlot en het bouwwerk is pas in 1886 klaar.

In de jaren 1930 beslist men een nieuw casino te bouwen. Het wordt een volwaardig voorbeeld van modernistische architectuur.

 

Top

 

 

De religieuze architectuur

De Sint-Rochuskerk

Als gevolg van de stelselmatige uitbouw van Blankenberge als toeristische badplaats ontstaat de nood aan een nieuwe, grote kerk.

In 1872 gaat de kerkfabriek over tot de aankoop van een perceel bouwgrond.

In 1876 wordt een ontwerp gevraagd voor een kerk van 1.000 m², in Vlaamse stijl, voor 2.500 personen. De kerk wordt in 1889 in gebruik genomen en is een typisch voorbeeld van een seizoenkerk. De klokkentoren komt er pas in 1903.

sint-rochuskerk_groot

De kerk behoort tot de neoromaanse stijl en beschikt over 1.800 zitplaatsen.

Het neogotische hoogaltaar bevat prachtige gepolychromeerde reliëfs. Het koorgestoelte is eveneens in neogotische stijl en dateert uit 1909.

De lezenaar in de vorm van een adelaar is een 18-eeuws rococokunstwerk.

Tot de kerkschatten behoren een unieke rode en zwarte kazuifel uit de 17de eeuw en fijn edelsmeedwerk uit de 18de eeuw.

 

Top

 

© Copyright 2009, Autonoom Gemeentebedrijf Blankenberge - All Rights Reserved